Vertaald en samengevat door Marijke van Diepenbroek.
Een veel voorkomend dilemma voor iemand die katten fokt is "Mijn dekkater of dekpoes heeft
zojuist een misvormd kitten voortgebracht. Moet ik nogmaals met hem of haar fokken?"
Hierop is zelden een eenvoudig antwoord mogelijk. Elke situatie moet apart bekeken worden.
Een informatief artikel zoals dit kan wel enkele richtlijnen geven die in zo'n situatie van nut kunnen zijn.
Sommige aangeboren afwijkingen zullen al bij een heel oppervlakkige observatie heel duidelijk
te zien zijn, andere kunnen slechts ontdekt worden door een grondig post-mortem onderzoek, zoals
bij aangeboren misvormingen van de organen. Daarom is het heel belangrijk dat een volledig post-mortem
onderzoek wordt verricht op alle jonge kittens die zonder duidelijke oorzaak sterven. Er zijn ook vele
bijna onmerkbare afwijkingen, zoals fouten in de stofwisseling, die alleen achterhaald kunnen worden
door zeer verfijnde laboratoriumtests op het bloed van nog levende kittens.
Aangeboren afwijkingen zijn niet noodzakelijkerwijs al bij de geboorte zichtbaar.
Een aangeboren hartafwijking bij voorbeeld, kan bij een jong kitten nog geen problemen geven,
maar later, als het kitten groeit en er meer eisen aan het hart gesteld worden, kunnen de
karakteristieke kenmerken van een hartafwijking zich ontwikkelen.
Sommige erfelijke afwijkingen hebben tijd nodig om zich te ontwikkelen. Retina atrofie
bij voorbeeld is een langzaam voortschrijdende ziekte waarbij geen aantasting van het gezichtsvermogen
of afwijking aan het netvlies geconstateerd kan worden totdat de getroffen katten tamelijk oud zijn.
Niet alle aangeboren afwijkingen zijn erfelijk: sommige worden veroorzaakt door storingen in
de ontwikkeling van de kittens in de baarmoeder door een of andere niet-erfelijke factor.
Infecties
Sommige infecties kunnen leiden tot beschadiging of de dood van het foetus als ze tijdens de
zwangerschap van de moederpoes optreden.
De meeste hiervan zijn virusinfecties. Niet alleen virussen van natuurlijke infecties kunnen
problemen veroorzaken, maar ook virussen die in bepaalde vaccins worden gebruikt.
Sommige vaccins bevatten levende virussen die verzwakt zijn (geen ziekte veroorzaken bij kittens
of volwassen dieren), maar ze kunnen niettemin foetussen aantasten als een zwangere poes hiermee
gevaccineerd wordt. Daarom worden als algemene regel vaccins met levend materiaal niet gebruikt
bij zwangere dieren. (Noot Redactie : Beter is het om helemaal niet te vaccineren tijden de dracht!)
Geneesmiddelen
Ook sommige geneesmiddelen kunnen een foetus in ontwikkeling beschadigen. Het best bekende
voorbeeld van zo'n geneesmiddel is waarschijnlijk Softenon, dat misvormingen veroorzaakte bij
kinderen van wie de moeder dit middel had genomen tijdens haar zwangerschap.
Van de meeste geneesmiddelen voor katten is weinig bekend over het risico voor de foetus.
Daarom is het als basisregel het beste zwangere katten geen geneesmiddelen te geven, tenzij
het absoluut noodzakelijk is. (Noot Redactie : Ook geen wormmiddelen!)
Ook andere middelen dan geneesmiddelen zoals bij voorbeeld bepaalde gewone
huishoudmiddeltjes of conserveermiddelen voor voedsel, kunnen misvormingen van het foetus veroorzaken.
Milieufactoren
De blootstelling van zwangere dieren aan hoge temperaturen kan eveneens leiden tot de
ontwikkeling van abnormaliteiten bij hun ongeboren jongen. We hebben gevallen gezien
waarbij een sterk vermoeden bestond dat de aangeboren afwijkingen van de kittens veroorzaakt
waren door blootstelling aan hoge omgevingstemperaturen.
Andere factoren
Soms kunnen andere, moeilijk te bepalen factoren een rol spelen bij ontwikkelingsproblemen,
bij voorbeeld een inadequate ontwikkeling van de placenta. Door de placenta ontvangen de
foetussen alles wat ze nodig hebben voor hun leventje in de baarmoeder. Als de werking van
de placenta verstoord is, zal de groei van de foetussen daaronder lijden. Zo'n probleem kan
vooral voorkomen bij dieren met meervoudige zwangerschappen, zoals de kat, die normaal
gesproken veel jongen in één nest heeft. Er kan daardoor een competitie ontstaan tussen de
verschillende placenta's om de beschikbare ruimte in de baarmoeder en sommige placenta's
zouden daarom niet volledig tot ontwikkeling kunnen komen.
De vraag die een kattenfokker met verantwoordelijkheidsgevoel zich zou moeten stellen
als een misvormd kitten geboren wordt, is: Is dit een erfelijk probleem of niet?" Helaas
weten we bij veel aangeboren afwijkingen bij katten, hier geen antwoord op. Bij sommige van
de meer algemeen voorkomende problemen, zoals een gespleten verhemelte, is het duidelijk dat
deze door zowel erfelijke factoren veroorzaakt kunnen zijn als door een fout in de ontwikkeling
kunnen ontstaan.
Wel zijn er enkele algemene aanwijzingen, maar ieder geval dient apart bekeken te worden.
1. Als het probleem speciaal veelvuldig voorkomt bij een bepaald ras, is dit vaak een indicatie voor
een bepaalde erfelijke betrokkenheid.
2. De aanwezigheid van meervoudige misvormingen bij hetzelfde kitten of bij verschillende
kittens in hetzelfde nest, doet vermoeden dat er een niet-erfelijk ontwikkelingsprobleem
speelt, eerder dan een erfelijk probleem. Bij voorbeeld: een kitten wordt geboren met een
gespleten verhemelte, een met een open buikje, een met een misvormd pootje en een gemummificeerd.
Waarschijnlijk gaat het dan om een niet-genetisch probleem bij de ontwikkeling van de foetussen,
en niet om een erfelijk probleem.
Nuttige vragen als een misvormd kitten geboren is.
1. Hoeveel kittens werden er in het nest geboren en hoe veel waren abnormaal? Vertoonden ze alle dezelfde afwijking?
2. Is de combinatie kater/poes al eens eerder gebruikt en indien ja, wat was toen het resultaat?
3. Is een van de ouders ooit eerder gekruist met een andere kat? Indien ja, waren ze verwant
(met een van de originele ouders) en wat was het resultaat?
4. Bent u deze afwijking ooit eerder tegengekomen, hetzij bij uw eigen katten, hetzij bij andere katten van hetzelfde ras?
5. Gebeurde er iets ongewoons tijdens de zwangerschap?
Bij voorbeeld:
- een verandering van voedsel of omgeving
- een of andere ziekte gedurende de zwangerschap
- kreeg de moederpoes medicijnen toegediend?
6. Waren er problemen bij het werpen?
Als men bij een ernstige afwijking vermoedt, op grond van de aanwezige informatie, dat het
probleem erfelijk is, dan zou de fokker ervoor kunnen kiezen de moederpoes te laten castreren.
Men moet echter bedenken dat als er sprake is van erfelijkheid, er veel verdere vertakkingen zijn.
De meeste aangeboren afwijkingen vererven recessief, in welk geval de beide ouders "drager"
moeten zijn en ook 66% van de ogenschijnlijk normale nestgenootjes. Bovendien wordt de eigenschap
gedragen door minstens 50% van de nakomelingen uit kruisingen van elk van de ouders met andere katten.
Het is daarom duidelijk dat de gevolgen bijzonder serieus zijn voor fokkers die te maken krijgen
met ernstige misvormingen van erfelijke aard.
Helaas is er vaak onvoldoende informatie voorhanden om te beslissen of een misvorming erfelijk
is en kan dit alleen bepaald worden door een serie testkruisingen.
De ideale kruising voor dit doel is die tussen de getroffen kittens en hun ouders.
Als een recessieve factor verantwoordelijk is voor de afwijking, zal 50% van de uit zo'n
kruising geboren kittens erdoor getroffen zijn. Als men vermoedt dat een eenvoudige recessieve
factor de oorzaak is, moeten minimaal 5 normale kittens geboren worden om met een
waarschijnlijkheid van meer dan 95% te verzekeren dat de aandoening niet erfelijk is,
of 7 kittens om de waarschijnlijkheid te vergroten tot 99%. Eén kitten met de afwijking is
voldoende om aan te tonen dat de fout erfelijk is.
Als echter de afwijking zo ernstig is dat dit niet praktisch is, zou de oorspronkelijke kruising
waaruit het getroffen kitten ontstond, herhaald moeten worden of, als dit niet mogelijk is, zouden
de ouders gekruist moeten worden met andere katten van wie bekend is dat ze kittens met de
betreffende aandoening hebben voortgebracht en daarom ervan verdacht worden drager te zijn.
In dit geval zal slechts 25% van het nageslacht de aandoening vertonen (hoewel nog eens 66%
van de ogenschijnlijk normale nakomelingen drager zullen zijn). In dit geval is het noodzakelijk
minstens 11 en 17 onaangetaste kittens te produceren om verzekerd te zijn van een waarschijnlijkheid
van meer dan 95% resp. 99% dat de aandoening niet erfelijk wordt overgedragen.
Fokkers kunnen in de verleiding komen hun katten te kruisen met katten van een andere lijn.
En inderdaad kunnen alle jongen die uit zo'n testkruising voortkomen, normaal lijken
(tenzij de nieuwe partner ook drager is), maar als de afwijking recessief vererft, zullen
50% van de jongen eveneens drager zijn. Dit kan gedurende vele generaties onopgemerkt blijven,
totdat twee katten gekruist worden die beide de oorspronkelijke drager in hun stamboom hebben.
De fout kan dan al wel uitgezaaid zijn over het hele ras en moeilijk kunnen worden uitgeroeid.
Een verantwoordelijk fokker zal daarom onmiddellijk handelen als misvormde kittens geboren worden.
Een enkele maal wordt het duidelijk dat een aangeboren afwijking in een bepaald ras bijzonder
vaak voorkomt. Dit wijst er niet noodzakelijkerwijs op dat de afwijking erfelijk is; het is mogelijk
dat bepaalde rassen de neiging hebben niet-genetische ontwikkelingsfouten extra duidelijk te tonen.
Ook kan de ernst van sommige erfelijke aandoeningen door het ras beïnvloed worden. Een voorbeeld
hiervoor zou heupdysplasie zijn bij de hond. Bij kleine rassen zal de aandoening weinig effect op
de gang hebben, maar bij grote, en daardoor zwaardere rassen, kan deze misvorming kreupelheid veroorzaken.
Rasafhankelijke variatie in het vóórkomen van aangeboren misvormingen is over het algemeen minder
duidelijk bij katten, aangezien er niet zo'n grote verscheidenheid in grootte en type bestaat
tussen de kattenrassen.
Bepaalde, gewoonlijk polygenetische (= dat het aan meerdere genen ligt), aangeboren misvormingen kunnen
samenhangen met de bouw van een ras. Bij voorbeeld het tranen van de ogen bij zeer rastypische langhaar katten,
aangezien een bijzonder korte neus kan leiden tot misvorming van de traanbuisjes in de neus die het
traanvocht van de ogen naar de neus leiden.
Als een bepaalde aanleg bij een ras vermoed wordt, dient voor het uitbannen van die eigenschap
onderzocht te worden of de aandoening erfelijk is en indien dit zo is, de wijze van vererving.
De eerste stap is het bepalen van het vóórkomen van de aandoening en het verzamelen van zoveel
mogelijk informaties over de individuele gevallen. Bij sommige misvormingen kan een grondig klinisch
onderzoek, zo mogelijk ondersteund door laboratoriumtests of pathologisch onderzoek, vereist zijn
om de diagnose te stellen en om onderscheid te maken tussen deze en andere aandoeningen die
gelijksoortige klinische kenmerken veroorzaken. Vergelijking van de stambomen van aangetaste
individuen zou ook het bewijs kunnen opleveren dat er gemeenschappelijke voorouders zijn en
mogelijkerwijze een aanwijzing geven over de wijze van vererving.
Onderzoek naar misvormingen waarbij het vermoeden bestaat van een zekere aanleg van een ras
1. Verstuur een enquête om
- de omvang van de misvorming vast te stellen
- informatie te verkrijgen over de aard van het probleem
- informatie te verzamelen over het fokken en de stambomen van getroffen kittens
2. Vergelijk de fokgegevens en de stambomen
3. Organiseer een testkruisingsprogramma.
De rasclub zou ervoor kunnen kiezen hier een onpartijdige derde in te schakelen, omdat
fokkers eerder geneigd zijn zo iemand informatie te verschaffen.
De volgende stap is het bepalen van de exacte wijze van vererving van de misvorming.
Dit vereist gewoonlijk een testkruisingsprogramma.
Bij het vergelijken van stambomen van kittens van minder bekende rassen dient men echter
zeer voorzichtig te zijn. Er is mogelijk maar een beperkt aantal dekkaters voorhanden
voor zulke rassen, die dus onvermijdelijk herhaaldelijk op de stambomen voorkomen, vooral
als ze erg populair zijn geweest. Erfelijke misvormingen komen waarschijnlijk juist om deze
reden frequenter voor bij rassen met een kleine populatie, vooral als het een nieuw ras is
dat snel aan populariteit heeft gewonnen en afstamt van een relatief kleine genenpool.
De genen verantwoordelijk voor een aangeboren afwijking zouden bij deze rassen niet
veelvuldiger voorkomen, maar de kans op een kitten met de betreffende aandoening zou groter
kunnen zijn wegens de onvermijdelijk hogere graad van inteelt.
Het succes van zo'n onderzoek hangt hoofdzakelijk af van de fokkers. Alleen als fokkers
gedetailleerde informatie verschaffen, zullen er voldoende gegevens zijn voor een analyse
van betekenis. En zelfs als zo'n uitgebreid testkruisingsprogramma wordt uitgevoerd, kan het
moeilijk zijn de exacte wijze van vererving te definiëren, om een aantal redenen:
1. De misvorming kan veeleer polygenetisch zijn dan veroorzaakt door een enkele genmutatie.
De vererving ervan kan daarom zeer complex zijn.
2. De misvorming kan zowel erfelijk zijn als veroorzaakt zijn door niet-genetische ontwikkelingsstoornis.
3. De ernst van de misvorming kan variëren. Dit kan veroorzaakt worden door:
- een enkel gen met variabele expressie of incomplete penetratie
- hoewel de misvorming in de eerst plaats kan afhangen van een enkele genmutatie,
kunnen andere factoren, zoals voeding, bijdragen tot de ernst ervan in individuele gevallen.
Zodra de erfelijke aard en de wijze van vererving van een aandoening zijn vastgesteld,
kan de rasclub beslissen over een passende gedragslijn. Als de aandoening weinig ernstig is,
en van puur esthetisch belang zonder schadelijk effect voor de gezondheid van de kat, kan men
besluiten geen actie te ondernemen. Als het een ernstige aandoening betreft, kan de gedragslijn
afhangen van de invloed van de aandoening. Een zeldzame misvorming die beperkt is tot een of twee
foklijnen, kan relatief eenvoudig geëlimineerd worden. Als bij voorbeeld een misvorming bij 1 op de
100 katten voorkomt, kunnen er 18 dragers zijn op elke 100 individuen.
Het is daarom van vitaal belang dat elke kattenfokker en kattenclub met verantwoordelijkheidsgevoel
er alles aan doet om erfelijke misvormingen zo snel mogelijk te identificeren om verspreiding van
de aandoening te voorkomen. Erfelijke afwijkingen verdwijnen niet als ze genegeerd worden - ze worden erger!
Voor het opsturen van kittens voor sectie kunt u het beste contact opnemen met uw dierenarts.
Hij kan de betrokken kat ook voorzien van een anamnese (ziekteverhaal), zodat gerichter gezocht
kan worden bij de sectie. Het is belangrijk dat er zo weinig mogelijk tijd zit tussen het moment
van overlijden en het onderzoek. Dit kan betekenen dat bijvoorbeeld in het geval dat uw kat
overlijdt tijdens een weekend of gedurende een warme periode u deze beter zelf kunt gaan brengen
naar de afdeling pathologie in Utrecht. Leg het betrokken dier op een koele plek (bijv. de koelkast)
tot u contact opgenomen met uw dierenarts.